💵 Financieel Beleid

1. Financiële analyse

Je beoordeelt de financiële gezondheid van een onderneming via liquiditeit, solvabiliteit en rendabiliteit.

Op het examen krijg je een gepubliceerde jaarrekening van een echte onderneming. Je krijgt ook het formularium met de formules.

Balansstructuur voor financiële analyse

ACTIEF
Vaste activa (langetermijn)
Immateriële vaste activa
Materiële vaste activa
Courante activa (CA)
Voorraden
Handelsvorderingen
Liquide middelen
Overlopende rekeningen actief
Totaal actief
PASSIEF
Eigen vermogen (EV)
Kapitaal
Reserves
Overgedragen winst
Schulden > 1 jaar (lang vreemd vermogen)
Vreemd vermogen op korte termijn (VVKT)
Leveranciers
Schulden bij bank (KT)
Overlopende rekeningen passief
Totaal passief
Courante activa (CA) = vlottende activa: voorraden + vorderingen op ten hoogste 1 jaar + liquide middelen + overlopende rekeningen actief.
Vreemd vermogen op korte termijn (VVKT) = schulden op ten hoogste 1 jaar + overlopende rekeningen passief.

Horizontale en verticale analyse

Horizontale analyseEvolutie van een balanspost over meerdere jaren uitdrukken als percentage:
% verandering = (jaar 2 – jaar 1) / jaar 1 × 100
Verticale analyseEen balanspost uitdrukken als percentage van het totaal actief of totaal passief:
% aandeel = balanspost / totaal × 100

Liquiditeitsratio's

Current ratio (liquiditeit in ruime zin):
Current ratio = Courante activa / Vreemd vermogen op korte termijn
Norm: current ratio ≥ 1 (ideaal ≥ 2). Een ratio < 1 betekent dat kortetermijnschulden groter zijn dan vlottende activa → betalingsproblemen mogelijk.
Quick ratio (liquiditeit in enge zin):
Quick ratio = (Courante activa – Voorraden – Bestellingen in uitvoering – Overlopende rekeningen actief) / (VVKT – Overlopende rekeningen passief)
Norm: quick ratio ≥ 1. Strenger dan current ratio: voorraden worden buiten beschouwing gelaten.

Solvabiliteit

Solvabiliteit:
Solvabiliteit (%) = Eigen vermogen / Totaal vermogen × 100
Hoe hoger, hoe meer de onderneming met eigen middelen gefinancierd is.
Norm: ≥ 25–33% is voldoende solvabel (afhankelijk van sector).

Rendabiliteit

Rendabiliteit van het eigen vermogen:
Rendabiliteit EV (%) = Resultaat van het boekjaar na belastingen / Eigen vermogen × 100
Geeft aan hoeveel % rendement de aandeelhouders op hun investering halen.
Interpretatie:
— Liquiditeit: kan de onderneming haar kortetermijnschulden betalen?
— Solvabiliteit: hoe afhankelijk is de onderneming van vreemd vermogen? (minder afhankelijkheid = veiliger)
— Rendabiliteit: is het rendement voldoende voor de investeerders?

2. Kostprijsberekening

Soorten kosten

Vaste kosten (VK)Blijven gelijk ongeacht het productie-/verkoopsvolume.
Bv. huur, afschrijvingen, vaste salarissen
Variabele kosten (VVC)Veranderen in verhouding tot het productie-/verkoopsvolume.
Bv. grondstoffen, commissie, energiekosten per eenheid
Directe kostenRechtstreeks toerekenbaar aan een product/dienst.
Bv. grondstoffen, directe arbeid
Indirecte kostenNiet rechtstreeks toerekenbaar; moeten via verdeelsleutel worden doorgerekend.
Bv. huurkosten verdeeld over meerdere producten
KostendragerDe eenheid waaraan kosten worden toegerekend (bv. 1 product, 1 project)
KostenplaatsDe afdeling of locatie waar de kost gemaakt wordt (bv. productie, verkoop)
VerdeelsleutelCriterium om indirecte kosten toe te wijzen (bv. oppervlakte, machinuren, omzet)

Break-even analyse

Het break-even punt is het moment waarop de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten (geen winst, geen verlies).

Break-even afzet (BEA):
BEA = Vaste kosten / (Verkoopprijs per eenheid – Variabele kostprijs per eenheid)
Break-even omzet (BEO):
BEO = Vaste kosten / (1 – Variabele kostprijs per eenheid / Verkoopprijs per eenheid)
of:
BEO = BEA × Verkoopprijs per eenheid
Grafisch break-even punt:

Op de X-as staat de afzet (aantal eenheden). Op de Y-as staan de bedragen (kosten en opbrengsten).

Integrale kostprijsberekening — Opslagmethode

Kostprijs via de opslagmethode:
Fabricagekostprijs = Directe materiaalkosten + Directe arbeidskosten + Opslag indirecte fabricagekosten
Verkoopkostprijs = Fabricagekostprijs + Opslag indirecte verkoopkosten
Opslag (%) = Indirecte kosten / Basis (bv. directe arbeidskosten) × 100

Verkoopprijs berekenen

Methode 1 — % op inkoopprijs (opslag op kostprijs):
Verkoopprijs = Inkoopprijs × (1 + opslagpercentage / 100)
Voorbeeld: inkoopprijs 100 euro, opslag 40% → verkoopprijs = 100 × 1,40 = 140 euro
Methode 2 — % op verkoopprijs (verkoopkostprijs als basis):
Verkoopprijs = Verkoopkostprijs / (1 – winstmarge / 100)
Voorbeeld: verkoopkostprijs 100 euro, winstmarge 30% van verkoopprijs → verkoopprijs = 100 / (1 – 0,30) = 142,86 euro
Verschil: Bij methode 1 is de % berekend op de inkoopprijs (kostprijs). Bij methode 2 is de winstmarge een % van de verkoopprijs → leidt tot een hogere verkoopprijs dan methode 1 bij hetzelfde percentage!