Financiële analyse — Kerncijfers berekenen
Oefening 1: Gebruik de volgende balansgegevens van NV Cosmos voor het boekjaar 2024:
Bereken: a) current ratio, b) quick ratio, c) solvabiliteit, d) rendabiliteit EV. Interpreteer elk kerncijfer.
| Balanspost | Bedrag (euro) |
|---|---|
| Vaste activa | 180.000 |
| Voorraden | 35.000 |
| Handelsvorderingen | 42.000 |
| Liquide middelen | 18.000 |
| Overlopende rekeningen actief | 5.000 |
| Eigen vermogen | 145.000 |
| Schulden op meer dan 1 jaar | 75.000 |
| Leveranciers | 28.000 |
| Schulden bij bank (KT) | 22.000 |
| Overlopende rekeningen passief | 10.000 |
| Resultaat van het boekjaar na belastingen | 22.000 |
CA = voorraden + vorderingen + liquide middelen + overlopende rek. actief
VVKT = leveranciers + bank KT + overlopende rek. passief
VVKT = leveranciers + bank KT + overlopende rek. passief
Berekeningen:
CA = 35.000 + 42.000 + 18.000 + 5.000 = 100.000 euro
VVKT = 28.000 + 22.000 + 10.000 = 60.000 euro
Totaal vermogen = 145.000 + 75.000 + 60.000 = 280.000 euro
a) Current ratio = 100.000 / 60.000 = 1,67
Interpretatie: ≥ 1, voldoende. Voor elke euro schuld op KT is er 1,67 euro vlottende activa.
b) Quick ratio = (100.000 – 35.000 – 5.000) / (60.000 – 10.000) = 60.000 / 50.000 = 1,20
Interpretatie: ≥ 1, ook zonder voorraden kan NV Cosmos de KT-schulden betalen.
c) Solvabiliteit = 145.000 / 280.000 × 100 = 51,8%
Interpretatie: meer dan helft gefinancierd met eigen vermogen → goed solvabel.
d) Rendabiliteit EV = 22.000 / 145.000 × 100 = 15,2%
Interpretatie: aandeelhouders halen 15,2% rendement op hun investering → redelijk goed.
CA = 35.000 + 42.000 + 18.000 + 5.000 = 100.000 euro
VVKT = 28.000 + 22.000 + 10.000 = 60.000 euro
Totaal vermogen = 145.000 + 75.000 + 60.000 = 280.000 euro
a) Current ratio = 100.000 / 60.000 = 1,67
Interpretatie: ≥ 1, voldoende. Voor elke euro schuld op KT is er 1,67 euro vlottende activa.
b) Quick ratio = (100.000 – 35.000 – 5.000) / (60.000 – 10.000) = 60.000 / 50.000 = 1,20
Interpretatie: ≥ 1, ook zonder voorraden kan NV Cosmos de KT-schulden betalen.
c) Solvabiliteit = 145.000 / 280.000 × 100 = 51,8%
Interpretatie: meer dan helft gefinancierd met eigen vermogen → goed solvabel.
d) Rendabiliteit EV = 22.000 / 145.000 × 100 = 15,2%
Interpretatie: aandeelhouders halen 15,2% rendement op hun investering → redelijk goed.
Oefening 2: Hieronder staan de balansgegevens van dezelfde NV Cosmos voor 2023 en 2024. Voer een horizontale en verticale analyse uit voor de voorraden en de eigen vermogenpositie.
| Balanspost | 2023 | 2024 |
|---|---|---|
| Voorraden | 28.000 | 35.000 |
| Eigen vermogen | 128.000 | 145.000 |
| Totaal actief 2023 | 265.000 | |
| Totaal actief 2024 | 280.000 |
Horizontale analyse (evolutie):
Voorraden: (35.000 – 28.000) / 28.000 × 100 = +25% stijging
Eigen vermogen: (145.000 – 128.000) / 128.000 × 100 = +13,3% stijging
Verticale analyse (aandeel in totaal actief):
Voorraden 2023: 28.000 / 265.000 × 100 = 10,6%
Voorraden 2024: 35.000 / 280.000 × 100 = 12,5% (aandeel gestegen)
EV 2023: 128.000 / 265.000 × 100 = 48,3%
EV 2024: 145.000 / 280.000 × 100 = 51,8% (solvabiliteit verbeterd)
Voorraden: (35.000 – 28.000) / 28.000 × 100 = +25% stijging
Eigen vermogen: (145.000 – 128.000) / 128.000 × 100 = +13,3% stijging
Verticale analyse (aandeel in totaal actief):
Voorraden 2023: 28.000 / 265.000 × 100 = 10,6%
Voorraden 2024: 35.000 / 280.000 × 100 = 12,5% (aandeel gestegen)
EV 2023: 128.000 / 265.000 × 100 = 48,3%
EV 2024: 145.000 / 280.000 × 100 = 51,8% (solvabiliteit verbeterd)
Oefening 3: De current ratio van Bedrijf X is 0,80 en de quick ratio is 0,55. Wat zegt dit over de financiële gezondheid? Geef twee mogelijke oorzaken en twee mogelijke oplossingen.
Beoordeling: Problematisch. Zowel current ratio (<1) als quick ratio (<1) zijn onder de norm. Het bedrijf kan zijn kortetermijnschulden niet volledig betalen met zijn vlottende activa → liquiditeitsproblemen.
Mogelijke oorzaken:
Mogelijke oorzaken:
- Te hoge kortetermijnschuld (bv. veel leverancierskrediet of bankschuld op KT)
- Onvoldoende liquide middelen of te lage handels-vorderingen
- Grote voorraden die niet snel te gelde gemaakt worden
- Kortetermijnschulden omzetten naar langetermijnfinanciering
- Voorraden verminderen (just-in-time aanpak)
- Sneller innen van handelsvorderingen (kortere betalingstermijn)
- Extra eigen vermogen inbrengen (kapitaalverhoging)
Break-even oefeningen
Oefening 4: Bakkerij "Zoet Leven" bakt croissants. Vaste kosten: 3.600 euro/maand. Verkoopprijs per croissant: 2,50 euro. Variabele kost per croissant: 0,80 euro.
a) Bereken de break-even afzet (BEA).
b) Bereken de break-even omzet (BEO).
c) Hoeveel winst bij 3.000 verkochte croissants per maand?
a) Bereken de break-even afzet (BEA).
b) Bereken de break-even omzet (BEO).
c) Hoeveel winst bij 3.000 verkochte croissants per maand?
a) BEA = 3.600 / (2,50 – 0,80) = 3.600 / 1,70 = 2.118 croissants (afgerond naar boven)
b) BEO = BEA × VP = 2.118 × 2,50 = 5.294,12 euro
(of: 3.600 / (1 – 0,80/2,50) = 3.600 / 0,68 = 5.294,12 euro)
c) Winst bij 3.000 stuks:
Totale opbrengst: 3.000 × 2,50 = 7.500 euro
Totale kosten: 3.600 + 3.000 × 0,80 = 3.600 + 2.400 = 6.000 euro
Winst = 7.500 – 6.000 = 1.500 euro
b) BEO = BEA × VP = 2.118 × 2,50 = 5.294,12 euro
(of: 3.600 / (1 – 0,80/2,50) = 3.600 / 0,68 = 5.294,12 euro)
c) Winst bij 3.000 stuks:
Totale opbrengst: 3.000 × 2,50 = 7.500 euro
Totale kosten: 3.600 + 3.000 × 0,80 = 3.600 + 2.400 = 6.000 euro
Winst = 7.500 – 6.000 = 1.500 euro
Oefening 5: Een sportwinkel heeft maandelijks vaste kosten van 8.000 euro. De gemiddelde variabele kost per product is 40 euro en de gemiddelde verkoopprijs is 75 euro.
a) Bereken de BEA en BEO.
b) De eigenaar wil 2.000 euro winst per maand. Hoeveel producten moet hij verkopen?
a) Bereken de BEA en BEO.
b) De eigenaar wil 2.000 euro winst per maand. Hoeveel producten moet hij verkopen?
a) BEA = 8.000 / (75 – 40) = 8.000 / 35 = 228,57 → 229 producten
BEO = 229 × 75 = 17.142,86 euro
b) Gewenste afzet voor 2.000 euro winst:
Afzet = (VK + Gewenste winst) / (VP – VVC) = (8.000 + 2.000) / (75 – 40) = 10.000 / 35 = 285,71 → 286 producten
BEO = 229 × 75 = 17.142,86 euro
b) Gewenste afzet voor 2.000 euro winst:
Afzet = (VK + Gewenste winst) / (VP – VVC) = (8.000 + 2.000) / (75 – 40) = 10.000 / 35 = 285,71 → 286 producten
Kostprijsberekening
Oefening 6: Meubelfabriek "Hout en Meer" produceert stoelen. Per stoel: directe materialen 45 euro, directe arbeid 30 euro. De indirecte fabricagekosten bedragen 6.000 euro per maand. Als verdeelsleutel worden de directe arbeidskosten gebruikt. In totaal worden er 200 stoelen per maand geproduceerd (totale directe arbeid = 200 × 30 = 6.000 euro).
a) Bereken de opslagvoet voor indirecte fabricagekosten.
b) Bereken de fabricagekostprijs per stoel.
a) Bereken de opslagvoet voor indirecte fabricagekosten.
b) Bereken de fabricagekostprijs per stoel.
a) Opslagvoet = indirecte fabricagekosten / basis (directe arbeidskosten) × 100
= 6.000 / 6.000 × 100 = 100%
b) Fabricagekostprijs per stoel:
Directe materialen: 45,00 euro
Directe arbeid: 30,00 euro
Opslag indirecte fabricage (100% van directe arbeid): 30,00 euro
Fabricagekostprijs = 105,00 euro per stoel
= 6.000 / 6.000 × 100 = 100%
b) Fabricagekostprijs per stoel:
Directe materialen: 45,00 euro
Directe arbeid: 30,00 euro
Opslag indirecte fabricage (100% van directe arbeid): 30,00 euro
Fabricagekostprijs = 105,00 euro per stoel
Oefening 7: Verkoopkostprijs van het product uit oefening 6 is 105 euro (fabricagekostprijs). Indirecte verkoopkosten zijn 2.100 euro/maand. Als basis wordt de omzet genomen (200 stoelen × 75 euro verkoopprijs = 15.000 euro). Maar de verkoopprijs moet eerst bepaald worden via methode 1 (opslag op kostprijs van 25%).
a) Bereken de verkoopprijs via methode 1 (opslag 25% op inkoopprijs/kostprijs).
b) Bereken de opslagvoet voor indirecte verkoopkosten.
a) Bereken de verkoopprijs via methode 1 (opslag 25% op inkoopprijs/kostprijs).
b) Bereken de opslagvoet voor indirecte verkoopkosten.
a) Verkoopprijs methode 1:
Verkoopprijs = 105 × (1 + 25/100) = 105 × 1,25 = 131,25 euro
b) Opslagvoet indirecte verkoopkosten:
Omzet = 200 × 131,25 = 26.250 euro
Opslagvoet = 2.100 / 26.250 × 100 = 8%
Verkoopprijs = 105 × (1 + 25/100) = 105 × 1,25 = 131,25 euro
b) Opslagvoet indirecte verkoopkosten:
Omzet = 200 × 131,25 = 26.250 euro
Opslagvoet = 2.100 / 26.250 × 100 = 8%
Oefening 8: Een wijnhandelaar koopt wijn in voor 8 euro per fles en wil een winstmarge van 35% op de verkoopprijs (methode 2). Bereken de verkoopprijs.
Methode 2: verkoopprijs = inkoopprijs / (1 – winstmarge/100)
= 8 / (1 – 0,35) = 8 / 0,65 = 12,31 euro
Controle: winst = 12,31 – 8 = 4,31 euro. Winstmarge = 4,31 / 12,31 × 100 ≈ 35% ✓
= 8 / (1 – 0,35) = 8 / 0,65 = 12,31 euro
Controle: winst = 12,31 – 8 = 4,31 euro. Winstmarge = 4,31 / 12,31 × 100 ≈ 35% ✓
Oefening 9: Een retailer koopt een product in voor 50 euro. Hij wil 20% opslaan op de inkoopprijs (methode 1). Vergelijk de uitkomst met methode 2 bij dezelfde 20%.
Methode 1 (20% op inkoopprijs):
Verkoopprijs = 50 × 1,20 = 60 euro
Winstmarge als % van verkoopprijs = 10/60 × 100 = 16,7%
Methode 2 (20% winstmarge op verkoopprijs):
Verkoopprijs = 50 / (1 – 0,20) = 50 / 0,80 = 62,50 euro
Winst = 62,50 – 50 = 12,50 euro
Winstmarge als % van verkoopprijs = 12,50/62,50 × 100 = 20%
Conclusie: Dezelfde 20% leidt tot hogere verkoopprijs bij methode 2 (62,50 vs 60 euro) omdat de marge berekend wordt op de verkoopprijs (grotere basis).
Verkoopprijs = 50 × 1,20 = 60 euro
Winstmarge als % van verkoopprijs = 10/60 × 100 = 16,7%
Methode 2 (20% winstmarge op verkoopprijs):
Verkoopprijs = 50 / (1 – 0,20) = 50 / 0,80 = 62,50 euro
Winst = 62,50 – 50 = 12,50 euro
Winstmarge als % van verkoopprijs = 12,50/62,50 × 100 = 20%
Conclusie: Dezelfde 20% leidt tot hogere verkoopprijs bij methode 2 (62,50 vs 60 euro) omdat de marge berekend wordt op de verkoopprijs (grotere basis).