Theorie Test - Hoofdstuk 2: Binomiale Verdeling
Valse uitspraken testen je inzicht. Kies het juiste antwoord.
1. Discrete vs continue
Je gooit 100x een dobbelsteen. X = aantal 6-en. Is X discreet of continu?
Discreet (kan 0, 1, 2, ..., 100 zijn)
Continu (alles tussen 0 en 100 mogelijk)
Beiden (afhankelijk van hoe je meet)
2. Binomiale verdeling
X ~ B(20, 0.5) betekent: 20 Bernouilli-experimenten, elk met p=0.5. Kan X gelijk zijn aan 0,5?
Nee, X kan alleen gehele getallen zijn (0 tot 20)
Ja, X kan elke waarde tussen 0 en 20 hebben
Dat hangt af van de waarde van p
3. Verwachtingswaarde
Voor X ~ B(100, 0.1): E(X) = 10. Is dit veel of weinig?
Weinig, want p=0.1 is laag dus verwacht je minder successen
Veel, want n=100 groot is
Kan niet bepaald worden zonder σ
4. Binomiaal herkennen
Je vraagt 50 mensen: "Hou je van pizza?" X = aantal "ja"s. Is X binomiaal verdeeld?
Ja, binomiaal: n=50, p≈vast per persoon
Nee, omdat het geen fysiek experiment is
Nee, omdat je geen dobbelsteen werpt
5. Standaardafwijking
Voor B(n, p): hoe groter n en hoe dichter p bij 0.5, hoe groter σ. Klopt dit?
Ja, beide factoren vergroot de spreiding
Nee, grotere n maakt juist kleinere σ
Nee, p dicht bij 0.5 maakt juist kleinere σ
6. Kansen interpreteren
Je interpreteert P(X=5) = 0.2 als: "kans op exact 5 successen is 20%". Juist of fout?
Juist, dit is correct
Fout, dit is cumulatieve kans
Fout, dit zou P(X≤5) moeten zijn